Deltaprogramma 2013

Het derde Deltaprogramma (DP2013) is aangeboden op Prinsjesdag 2012. Met het van kracht worden van de Deltawet is dat voor het eerst samen met de begroting van het Deltafonds gebeurd.

De omvang van de waterveiligheidsopgave is sinds het tweede Deltaprogramma duidelijker geworden. Uit de landelijke controle van de dijken ('APK' van de dijken) is gebleken dat een aanzienlijk deel van de dijken niet voldoet aan de eisen. Ook zijn er eind 2011 analyses van de maatschappelijke kosten en baten van waterkeringen en het risico op slachtoffers door overstromingen beschikbaar gekomen. De studies laten zien dat voor grote delen van Nederland het veiligheidsniveau voldoet, maar dat voor een aantal gebieden een hoger beschermingsniveau aan de orde kan zijn. Met de deltascenario’s is er zicht op de mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Voor de zoetwatervoorziening zijn deze vertaald in knelpunten en schade voor gebruiksfuncties zoals landbouw, scheepvaart en energievoorziening.

Deze kennis is meegenomen in het ontwikkelen van mogelijke strategieën om  Nederland veilig te houden tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. Deze mogelijke oplossingsrichtingen staan centraal in het DP2013, met name die voor de deltabeslissingen.

Tijdens het onderzoeken van de strategieën zijn er ook een aantal al afgevallen, omdat ze technisch niet haalbaar zijn, omdat ze de opgaven vergroten of omdat er goedkopere en betere alternatieven bestaan.

Een aantal conclusies uit het DP2013

  • Het is niet nodig de normen in heel Nederland met een factor tien te verhogen, zoals de tweede Deltacommissie had aanbevolen. Wel zijn de waterveiligheidsnormen in delen van het land aan actualisatie toe, met name in het rivierengebied, delen van de regio Rijnmond-Drechtsteden en bij Almere. In heel Nederland zal een basisveiligheidsniveau gelden en niemand gaat er in (water)veiligheid op achteruit.
  • Zoetwatervoorziening: het watersysteem kan robuuster. Mogelijke maatregelen zijn ingrepen om de waterverdeling in het hoofdwatersysteem te optimaliseren, de zoutindringing in het westen te beperken en te zorgen voor alternatieve aanvoer van zoetwater. Daarnaast zullen watergebruikers zich moeten aanpassen aan de beschikbare waterhoeveelheid (adaptatie).
  • In het Rivierengebied, Rijnmond-Drechtsteden en de Zuidwestelijke Delta (de Rijn-Maasdelta) zijn ook op de lange termijn combinaties van dijkversterkingen en rivierverruiming, gekoppeld aan gebiedsontwikkeling voldoende om het gebied veilig te houden voor hoog water. Voor de bescherming van enkele gebieden, ondermeer in de Alblasser- en Krimpenerwaard en langs de Lek zijn mogelijk ook andere ingrijpender maatregelen noodzakelijk om de veiligheid op peil te houden.
  • De vergaande peilstijging van anderhalve meter in het IJsselmeer is definitief van de baan. De zoetwatervoorraad is voldoende te vergroten met minder peilstijging, in combinatie met flexibel peilbeheer in de zomerperiode. Pompen zijn op termijn noodzakelijk om het overtollig water af te voeren.

Daarnaast is er in het Deltaprogramma 2013 aandacht voor “meerlaagsveiligheid”. De eerste laag van meerlaagsveiligheid is preventie (dijken, duinen, keringen en dammen). Dat is en blijft de basis voor onze hoogwaterveiligheid. Maar ruimtelijke inrichting van het gebied achter de dijken kan ook bijdragen aan waterveiligheid, door de gevolgen van een overstroming te beperken. Dat is laag twee van meerlaagsveiligheid. De derde laag is rampenbestrijding die ook aan de veiligheid bijdraagt. Deze manier van werken aan de veiligheid wordt de komende twee jaar uitgewerkt in alle gebieden door te zoeken naar slimme combinaties.