Deltaprogramma 2014

Het vierde Deltaprogramma (DP2014) is op Prinsjesdag 2013 aangeboden aan de Tweede Kamer, samen met de begroting van het Deltafonds.

Hoofdlijnen voor waterveiligheid en zoetwatervoorziening

Centraal in het vierde Deltaprogramma staat een conceptvoorstel voor een nieuwe normering voor de waterveiligheid. De nieuwe normering is gebaseerd op een risicobenadering: de kans op een overstroming en het gevolg van een overstroming bepalen beide de hoogte van de norm. Het uitgangspunt daarbij is dat iedereen in Nederland een gelijke basisveiligheid krijgt (10-5). Gebieden met veel mensen of grote economische waarden kunnen een hoger beschermingsniveau krijgen. Hierdoor is meer maatwerk mogelijk, ook binnen een dijkring. In drie gebieden moet het beschermingsniveau in ieder geval aangescherpt worden: het rivierengebied, delen van Rijnmond-Drechtsteden en het gebied rond Almere. Mogelijk vraagt de waterveiligheid van de belangrijke energieproductie in Groningen extra aandacht. In gebieden waar het gewenste veiligheidsniveau volgens de nieuwe normen op orde is, zal het goed beheren en onderhouden van de keringen de komende tijd centraal staan. Het definitieve voorstel voor de nieuwe normen komt in een interactief proces met de regio’s tot stand en wordt opgenomen in DP2015.

Gebruikers van zoet water ervaren nu al dat droge perioden vaker optreden en dat de verzilting toeneemt. Het Deltaprogramma stelt voor de zoetwatervoorziening met enkele gerichte overheidsinvesteringen te verbeteren. Daarnaast is het van belang dat het aanbod van zoetwater voorspelbaarder wordt voor gebruikers. Daarom stelt het Deltaprogramma voor dat het Rijk afspraken met regionale partijen maakt over het voorzieningenniveau: de hoeveelheid zoet water die via het hoofdwatersysteem voor een bepaalde functie in een gebied beschikbaar is. Daarbij komen afspraken met gebruikers over het beperken van de vraag naar zoetwater.

Een aantal conclusies uit het DP2014

  • Inzet van meerlaagsveiligheid kan bijdragen aan het bereiken van de normen als reguliere oplossingen met alleen dijken of ruimte voor de rivier niet of nauwelijks mogelijk zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval in Marken en Dordrecht. Het Deltaprogramma werkt de mogelijkheden voor meerlaagsveiligheid verder uit in vijf pilots.
  • Coalities van publieke en private partijen bereiden een aanpak voor waarmee gemeenten, woningbouwverenigingen en projectontwikkelaars zich beter kunnen voorbereiden op wateroverlast, droogte en hittestress in steden.
  • De rampenbestrijding krijgt meer aandacht en zal zich ook richten op een handelingsperspectief voor burgers en bedrijven bij (dreigende) overstromingen.
  • In het rivierengebied is het nieuwe beschermingsniveau te bereiken met zowel dijkversterkingen als rivierverruiming. Concrete keuzen worden zichtbaar in DP2015. Daarbij gaat het om maatwerk per gebied.
  • Extra versterking van de dijken langs de Lek lijken kosteneffectiever dan het op orde brengen van alle categorie c-keringen Centraal Holland.
  • In het IJsselmeergebied kan het winterpeil tot 2050 op het huidige niveau blijven. Met een combinatie van spuien en pompen en flexibel peilbeheer zijn de opgaven voor waterveiligheid en zoetwatervoorziening effectief aan te pakken. Sterk meestijgen met de zeespiegelstijging is ook na 2050 geen reële optie.
  • In de Zuidwestelijke Delta bereiden partijen een rijksstructuurvisie voor over de toekomst van de Grevelingen en het Volkerak-Zoommeer. Deze visie geeft onder meer antwoord op de vraag of waterberging van rivierwater in de Grevelingen wenselijk is voor de veiligheid in het Rijnmondgebied. Dit gebeurt in afstemming met de deltabeslissing Rijn-Maasdelta.
  • Langs de kust zijn maatregelen voor veiligheid en economische ontwikkeling te combineren. Een integrale aanpak werpt vruchten af.
  • Het Deltaprogramma stelt een Adaptatieagenda Zand op voor de kust, inclusief de Zuidwestelijke Delta en het Waddengebied, gericht op duurzame waterveiligheid en behoud van het landareaal.