Hoe zit het met de zeespiegelstijging?

Volgens de klimaatscenario’s uit 2014 van het KNMI kan de zeespiegelstijging in 2100 opgelopen tot 100 cm. Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) gaat tot op heden uit van een zeespiegelstijging van 80 cm in 2100. Recente onderzoeken (van o.a. KNMI en Universiteit Utrecht) duiden er echter op dat de processen die van invloed zijn op het afsmelten van het landijs op Groenland en Antarctica veel sneller verlopen dan voorheen werd aangenomen. Volgens de Signaalgroep van het Deltaprogramma kan een nog snellere stijging van de zeespiegel daarom niet worden uitgesloten.

In het Deltaprogramma anticiperen we op de toekomstige klimaatverandering, richten we ons op 2050 met een doorkijk naar 2100 en baseren we ons op de KNMI klimaatscenario’s. Adaptieve strategieën en flexibele maatregelen maken het mogelijk om in te spelen op nieuwe kennis en inzichten. Vooruitlopend op de eerste tussentijdse evaluatie van het Deltaprogramma in 2020 heeft het Deltaprogramma in september 2018 de eerste inzichten in beeld gebracht van de mogelijke gevolgen van een versnelde zeespiegelstijging voor Nederland.

Hieronder leest u wat er door Deltares in opdracht van de deltacommissaris is onderzocht en wat de belangrijkste conclusies zijn:

Wat was de aanleiding voor het onderzoek?

Recente inzichten duiden op een mogelijk versneld afbreken en afsmelten van het landijs van Antarctica. Op 30 maart 2016 heeft het tijdschrift Nature een publicatie van De Conto en Pollard gepubliceerd met nieuwe wetenschappelijke inzichten over dit afbraakproces en de versnelde zeespiegelstijging, die daar mogelijk het gevolg van is. KNMI heeft deze projecties vertaald naar de Nederlandse kust. Vanwege de potentieel grote impact hiervan heeft de deltacommissaris, vooruitlopend op een wetenschappelijk gedragen oordeel hierover van het IPCC (2019), nieuwe KNMI scenario’s in 2021 en de eerste tussentijdse evaluatie van het Deltaprogramma in 2020, een eerste verkennend onderzoek laten uitvoeren om de mogelijke gevolgen van een versnelde zeespiegelstijging voor Nederland globaal in beeld te brengen.

Wat is er door Deltares onderzocht?

Het doel van de studie was het verkennen van de mogelijke gevolgen van versnelde zeespiegelstijging voor de voorkeurstrategieën van het Deltaprogramma. De voorkeursstrategieën van het Deltaprogramma bestaan uit een combinatie van maatregelen die, naarmate de omstandigheden veranderen, ingezet kunnen worden. In de verkenning is in beeld gebracht op welke wijze de versnelde zeespiegelstijging knikpunten kan veroorzaken op het gebied van het kustfundament, waterveiligheid en zoetwatervoorziening. Een knikpunt is het moment waarop nieuwe of aanvullende maatregelen aan de orde kunnen komen. In de verkenning wordt beschreven wanneer en bij welke mate of snelheid van zeespiegelstijging een knikpunt kan optreden, en wat dit voor de uitvoering van de maatregelen uit de voorkeursstrategie kan betekenen.

Wat zijn de belangrijkste conclusies van het rapport?

Er is nog veel onzekerheid over de vraag of de zeespiegelstijging sterker zal versnellen en zo ja in welke mate. Het KNMI geeft aan dat een mogelijke versnelling van de zeespiegelstijging op zijn vroegst vanaf 2050 merkbaar wordt. Op basis van het eerste verkennend onderzoek van Deltares lijkt het pakket aan maatregelen waar het Deltaprogramma op dit moment vanuit gaat (de voorkeursstrategieën) in elk geval tot 2050 voldoende om onze delta leefbaar en bewoonbaar te houden. De mate waarin de zeespiegelstijging daarna versnelt is vooral afhankelijk van de mate waarin de CO2 uitstoot wereldwijd vermindert, en hoe dit doorwerkt in de opwarming van de aarde en het afsmelten van Antarctica. Daarnaast is er nog veel onzeker over de wijze waarop de versnelde zeespiegelstijging precies doorwerkt in het zandtransport langs de Nederlandse kust, de belasting van de waterkeringen en de verzilting van grond- en oppervlaktewater.

Monitoring van Antarctica en nader onderzoek naar lange termijn processen in de Nederlandse kustzone moet geïntensiveerd worden om deze onzekerheden verkleinen. Tevens moet verkend worden hoe grote/kapitaalintensieve maatregelen met een lange levensduur adaptiever uitgevoerd kunnen worden, zodat beter ingespeeld kan worden op onzekere ontwikkelingen. 

De verkenning laat zien dat het nakomen van het Parijs Akkoord van groot belang is bij het beperken van de versnelling van de zeespiegelstijging en de daarbij optredende gevolgen voor onze delta. Bij een opwarming van de aarde tot maximaal 2 graden zoals afgesproken in het Parijs Akkoord kan de zeespiegel in Nederland in 2100 met 1 tot 2 meter stijgen.

Kustfundament:

  • Bij een opwarming van 2 graden is er in 2100 tot 20 keer zoveel zand voor suppleties nodig om het kustfundament met de zeespiegelstijging mee te laten groeien. (Op dit moment wordt circa 12 miljoen m3 zand per jaar aangebracht ter compensatie van erosie en voor het meegroeien van het kustfundament.)
  • Vanaf een zeespiegelstijging van 6 mm/jaar (huidige stijging is 2 mm/jaar) zou de Westelijke Waddenzee de stijging niet meer bij kunnen houden. Voor de Oostelijke Waddenzee ligt dit op 10mm/jaar. Een stijging van 10mm/jaar kan al vanaf 2050 aan de orde zijn. Ook in de zuidwestelijke delta is op termijn extra sediment nodig om buitendijkse gebieden mee te laten groeien.

Waterveiligheid:

  • Als de zeespiegel versneld gaat stijgen zorgt dat ervoor dat vanaf 2050 de vervanging van grote kunstwerken zoals stormvloedkeringen en sluizen 10 (bij +2 graden) tot 20 jaar (+ 4 graden) eerder aan de orde kan komen.
  • Bij een zeespiegelstijging van 0,65 meter wordt spuien onder vrij verval van het IJsselmeer in de Waddenzee vrijwel onmogelijk, omdat het niveau van het meerpeil dan ook bij laagtij onder het niveau van de Waddenzee ligt. Bij een zeespiegelstijging van 1,75 meter is er een pompcapaciteit op de Afsluitdijk nodig van 1000 tot maximaal 3200m3/s om alle IJsselafvoer en neerslagoverschot af te voeren, afhankelijk van de eisen die worden gesteld aan de waterveiligheid.

Zoetwater:

  • Vanaf 2050 kan een versnelde zeespiegelstijging een significante toename van de zoutindringing via de rivieren opleveren, waardoor inlaatpunten in het benedenrivierengebied vaker en langer moeten sluiten, en de noodzaak voor een meer permanente en structurele oostelijke aanvoer toeneemt. Ook kan daardoor de watervraag aan het IJsselmeer toenemen.

Wat zijn de vervolgstappen?

De uitkomsten van deze verkenning worden meegenomen in de zesjaarlijkse herijking van de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën van het Deltaprogramma. Deze herijking, onder regie van de deltacommissaris, focust zich op het zorgvuldig checken of nieuwe kennis en ontwikkelingen aanleiding vormen voor het aanpassen van de huidige deltabeslissingen, voorkeursstrategieën en deltaplannen. Deze herijking is gereed in 2020 en zal opgenomen worden in het Deltaprogramma 2021.

Het kabinet heeft als reactie op het Deltaprogramma 2019 en het Deltares rapport naar de mogelijke gevolgen van versnelde zeespiegelstijging op het Deltaprogramma op Prinsjesdag 2018 laten weten dat zij bijdraagt aan de opzet van een nieuw onderzoeksprogramma naar zeespiegelstijging, gericht op het reduceren van onzekerheden, het onderzoeken van oorzaken en effecten voor Nederland. Daarin zullen de door de deltacommissaris ingebrachte accenten: de relatie tussen de opwarming van de aarde, het afsmelten van Antarctica, de zeespiegelstijging en de mogelijke gevolgen hiervan voor Nederland, opgenomen worden.

Achtergrond

Zeespiegelstijging wordt veroorzaakt door een combinatie van opwarming van de oceanen (warmer water zet uit en neemt en meer ruimte in) en afsmeltend landijs. De versnelde stijging van de afgelopen decennia is vooral het gevolg van uitzettend water, het versnelde afsmelten van landijs (op Antarctica en Groenland) en door smelten van gletsjers in de bergen. (Het afsmelten van de ijsplaat op de Noordpool heeft geen invloed, omdat dit zee-ijs is, en dus geen water toevoegt). Regionaal kunnen windpatronen en de aantrekkingskracht van grote ijsmassa’s op water (“gravitatie-effect”) nog een rol spelen.

Naarmate de zeespiegel stijgt en het land verder daalt kan overtollig water steeds minder “onder vrij verval” op zee geloosd worden, en moeten pompen ingeschakeld worden. Daarnaast neemt de invloed van de zee op de kuststrook toe, via zoutindringing in het grond- en oppervlakte water, maar ook door toenemende kusterosie en stijgende stormvloedhoogtes. En de zandplaten, slikken en schorren van bijvoorbeeld Waddenzee, Wester- en Oosterschelde kunnen “verdrinken” doordat ze de zeespiegelstijging niet kunnen bijhouden. Met zandsuppleties kunnen we de kustlijn ook met een stijgende zeespiegel nog jaren op z’n plaats houden. In de toekomst zal er mogelijk naar andere maatregelen gezocht moeten worden.

Het effect van zeespiegelstijging kan nog versterkt (of afgezwakt) worden door daling (of stijging) van het aangrenzende land. Door geologische bewegingen en compactie van klei en veen daalt de Nederlandse bodem in het noordwesten van het land gemiddeld met 10 cm per eeuw. Op sommige plekken kan de bodem echter wel tot 2 cm per jaar dalen.